Bron: www.holebifederatie.be/downloads/holebiologie.pdf
Holebiologie
Recente studies over homoseksualiteit
Waarom is de een hetero en de ander homo of lesbisch? De vraag houdt wetenschappers al goed honderdvijftig jaar bezig. Het enige correcte antwoord is nog altijd: “We weten het niet. Maar …”.
Vroeger was het simpel: vleselijke lusten met een geslachtsgenoot waren zondig en konden worden verholpen met meer godsvrucht. Toen de maatschappij verburgerlijkte, werd homoseksualiteit een misdrijf en evolueerden homoseksuelen van zondaars tot misdadigers, die zwaar werden bestraft, tot de brandstapel toe. De overtuiging groeide echter dat mensen niet zomaar kiezen voor seks met een geslachtsgenoot, maar dat ze dergelijke handelingen plegen omdat ze homoseksueel zijn.
Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelden wetenschappers, vaak zelf homoseksueel, theorieën over homoseksualiteit als een natuurlijke variant. Met andere woorden, homoseksuelen waren zo geboren en dus trof hen geen schuld. De theorie dat homo’s en lesbiennes een derde geslacht vormen (een man/vrouw met de ziel van een vrouw/man) leefde sterk in de holebibeweging van vóór de Tweede Wereldoorlog.
Tezelfdertijd groeide echter ook het beeld van homoseksualiteit als een ziekte, of meer bepaald als een psychische groeistoornis. Het is eigen aan een ziekte dat ze genezen dan wel voorkomen kan worden, en dus gingen wetenschappers op zoek naar een gepaste remedie.
Tot de jaren zeventig werden holebi’s ingespoten met hormonen, gecastreerd en behandeld met hersenchirurgie, elektroshocks, aversietherapie en psychoanalyse. Al deze behandelingswijzen bleken zinloos. Als er al iets van gedragsverandering te bespeuren viel, dan was het resultaat eerder aseksueel dan heteroseksueel gedrag. De eigenlijke seksuele oriëntatie bleek buiten het bereik van de medische wetenschap te liggen.
De definitieve knauw in de geloofwaardigheid van de theorie als zou homoseksualiteit een geestesziekte zijn, kwam in 1956, met een onderzoek van psychologe Evelyn Hooker Hooker. Zij onderwierp dertig homoseksuele en dertig heteroseksuele mannen aan een resem psychologische tests. De resultaten legde ze voor aan een panel van drie vermaarde psychologen, die er van overtuigd waren dat homoseksualiteit een psychopathologie is. Geen van hen slaagde er in de homo’s van de hetero’s te onderscheiden. Toch zou het nog tot 1973 duren vóór homoseksualiteit werd geschrapt uit de lijst van psychopathologieën (zie ook artikel in ZiZo 43).
Na een eeuw van stigmatisering en behandeling/mishandeling keerden holebi’s zich tegen wetenschappelijk onderzoek omtrent homoseksualiteit. Nog steeds reageert de holebibeweging met veel scepsis wanneer nieuwe onderzoeksresultaten de media halen. Al lijkt het virulente protest dat nog opdook in 1990, toen Dick Swaab een fysiek verschil opmerkte tussen de hersenen van homoseksuele en heteroseksuele mannen, inmiddels wel geluwd. Een deel van de beweging kijkt zelfs reikhalzend uit naar nieuwe onderzoeksresultaten. Vooral in de Verenigde Staten zijn er nogal wat machtige religieusrechtse groeperingen die campagne voeren tegen holebirechten en die hooghouden dat homoseksualiteit een zelfgekozen lifestyle is. Die je ook terug kan veranderen, als je het maar hard genoeg wilt. Er is zelfs een beweging van ex-gays opgestaan (zie de website whole-man.org en huiver). Als de wetenschap onomstotelijk kan aantonen dat homoseksualiteit aangeboren en dus natuurlijk is, dan wordt deze rechtse bewegingen de wind uit de zeilen genomen, zo stellen ze. Anderen zijn hier sceptisch over: ook huidskleur is aangeboren, maar toch is er nog altijd racisme. Over zin en onzin van onderzoek over seksuele oriëntatie zetten we in de ZiZo van juli een boompje op met Sven Bocklandt Bocklandt, een Vlaamse biotechnicus die verbonden is aan het onderzoekscentrum in Washington waar Dean Hamer zijn spectaculaire ontdekking deed van het ‘homogen’ Xq28.
In dit artikel krijg je een overzicht van het recente onderzoek over homoseksualiteit.
Mannen met een eisprong
De belangrijkste ontwikkelingen in het onderzoek rond homoseksualiteit van de laatste twintig jaar situeren zich in drie richtingen: neuroanatomie, psycho-endocrinologie en genetica. Het eerste is de studie van structuur en werking van de hersenen en het zenuwstelsel, in het tweede worden de effecten van de hormonenhuishouding op de psyche bestudeerd. Het is echter de erfelijkheidsleer die veruit de meeste aandacht heeft gekregen de laatste jaren. Herinnert u zich nog de ‘lesbische vingers’, de 35 vorig jaar gepubliceerde studie waaruit bleek dat de vingers van lesbische vrouwen significant verschillen van deze van heterovrouwen?
Het voorbije decennium werden verscheidene studies gepubliceerd over lichamelijke verschillen tussen heteromannen en –vrouwen enerzijds en homo’s en lesbiennes anderzijds. Dit zijn uitlopers van het nog altijd voortdurende onderzoek naar de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Want anders dan je wellicht zou verwachten, zijn er niet zoveel eenduidige fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen. Zeker niet als we kijken naar de menselijke ontwikkeling. Neuro-endocrinoloog Charles Barraclough ontdekte in de jaren vijftig dat vrouwtjesratten die kort vóór of na de geboorte geïnjecteerd werden met testosteron (mannelijke geslachtshormonen) steriel werden. Ze hadden geen eisprong meer, maar ook de kettingreactie van verschillende hormonen die de eisprong in gang zet, bleef achterwege. Gecastreerde mannetjesratten, die het dus moesten stellen zonder testosteron ‘ovuleerden’ wanneer ze ingespoten werden met oestrogeen (vrouwelijke geslachtshormonen). Natuurlijk niet met een fysieke eisprong, want daarvoor misten de beestjes een baarmoeder en eierstokken, maar ze maakten wel de hele hormonale kettingreactie door van een ovulatie.
Uit verder onderzoek bleek een vreemde asymmetrie. Wanneer pasgeboren mannetjesratten géén mannelijke geslachtshormonen kregen, ontwikkelden ze een vrouwelijke cyclus, terwijl pasgeboren vrouwtjesratten die het moesten stellen zonder vrouwelijke geslachtshormonen, tóch nog een vrouwelijke cyclus beleefden. Met andere woorden, een mannetjesrat wordt, ondanks zijn mannelijke ‘apparatuur’, pas echt mannelijk dankzij testosteron, terwijl een vrouwtjesrat geen extra hormonen nodig heeft om vrouwelijk te worden. Daaruit volgt dat de ‘blauwdruk’ van de hersenen vrouwelijk is.
“Waarom heeft een mannetjeshond zijn been op om te plassen? Omdat zijn hersenen veranderd zijn. Dat is dus het fundamentele concept: het brein is in wezen vrouwelijk. Om mannelijk te worden hebben de hersenen ‘mannelijk makende’ hormonen nodig,” vat neurobioloog Robert Gorski samen. In de zeventiger jaren slaagden verscheidene onderzoeksteams er in om duidelijke fysieke verschillen vast te stellen in de hersenen van mannelijke en vrouwelijke ratten. De hersenen zijn dus seksueel dimorf. Een duidelijk verschil werd gevonden in een onderdeel van de hypothalamus, een klein deeltje van de hersenen waarvan we weten dat het een belangrijk rol speelt in de hormonale huishouding, maar waarvan de functie nog niet helemaal in kaart is gebracht. De hamvraag bleef natuurlijk of deze resultaten ook opgingen voor mensen. En ja hoor, in de jaren tachtig werden door verschillende onderzoekers fysieke verschillen ontdekt na dissectie van hersenen. Eén van deze onderzoekers, de Nederlander Dick Swaab, ging nog een stap verder. Hij ontdekte dat een deeltje van hersenen, de suprachiasmatische kern, verschilde tussen heteroseksuele en homoseksuele mannen. Een paar jaar latere bemerkte een Amerikaanse collega, Simon LeVay LeVay, een soortgelijk verschil in
neuronen van de hypothalamus. Waar eerst werd aangenomen dat dit deeltje verschilde tussen mannen en vrouwen, bleek het te verschillen tussen seksuele voorkeur voor vrouwen (heteromannen, lesbo’s) en seksuele voorkeur voor mannen (heterovrouwen, homo’s).
Het probleem met beide onderzoeken is dat het ging om beperkte groepen en dat de resultaten nog niet werden bevestigd door een tegenonderzoek. Plus dat dit soort hersenonderzoek enkel mogelijk is door dissectie van hersenen van overledenen. LeVay’s onderzoeksgroep bevatte nogal wat mannen die overleden waren aan aids, wat een vertekening kan geven (ook al werden geen verschillen gevonden tussen de overlijdens aan aids en andere doodsoorzaken). Bovendien benadrukt LeVay dat een verband vaststellen nog iets helemaal anders is dan oorzaak en gevolg duiden. Met andere woorden, het duiden van een fysiek verschil betekent nog niet dat we weten waar dit verschil vandaan komt, of welk gevolg het heeft.
Seks met ratten
Geslachtshormonen zorgen ook voor de geslachtsdrift. Vrouwtjesratten ingespoten met testosteron bleken andere vrouwtjes te bespringen, gecastreerde mannetjesratten die oestrogeen toegediend kregen namen een ‘receptieve’ houding tegenover andere mannetjes. Dierlijke en menselijke seksualiteit valt nauwelijks te vergelijken, maar toch inspireerden deze experimenten Günther Dönner tot de theorie dat homomannen een lager testosteron-peil of een hoger gehalte aan oestrogeen zouden hebben dan heteromannen en dat bij lesbische vrouwen een omgekeerd patroon waarneembaar zou zijn. Niet minder dan zevenentwintig studies werden ondernomen. Sommigen bevestigden de theorie, andere kwamen met totaal tegenovergestelde of helemaal géén resultaten. En om het allemaal nog ingewikkelder maken: uit één studie bleek dat biseksuelen méér oestrogeen en testosteron hadden dan homo- en heteroseksuelen. Dönners theorie werd geklasseerd zonder verder gevolg. Toen bleek dat de hormonenspiegel van volwassen holebi’s geen verklaring opleverde, verschoof de aandacht naar hormonale invloeden in de moederschoot. Ook in de foetus zijn de hormonen al volop actief. Zou het kunnen dat schommelingen in de hormonenspiegel een invloed hebben op de latere seksuele oriëntatie van het kind?
In de zestiger jaren was al onderzoek gedaan naar de invloed van stress en bijhorende hormonale schommelingen tijdens de zwangerschap op de seksuele oriëntatie van het kind, maar ook deze hypothese bleek vruchteloos. Een studie van vrouwen die in de moederschoot, door een hormonale afwijking, geconfronteerd waren me een overdosis mannelijke geslachtshormonen, gaf wel indrukwekkende resultaten. 37% van hen bleek later lesbisch of biseksueel, terwijl bevolkingsstudies doorgaans een score van 2 à 4 lesbische vrouwen aangeven.
Tot dusver leverden de diverse psycho endocrinologische studies weinig resultaat. Heino Meyer-Bahlberg Bahlberg, die verscheidene onderzoeken leidde, geeft toe dat de resultaten inconsistent zijn en op diverse manieren geïnterpreteerd kunnen worden. En dat er heel wat vragen kunnen gesteld worden bij de methodologie van de onderzoeken. Toch blijven er nog verschillende pistes open, die waarschijnlijk in de komende jaren verder onderzocht zullen worden.
Mannen ontvrouwelijken
Voor we overstappen naar de genetica, richten we nog even de schijnwerpers op psychiater Richard Pillard Pillard. Pillard – die zelf homo is én een homoseksuele broer, een lesbische zus en een biseksuele dochter heeft – ontwikkelde samen met de bekende psychobioloog James Weinrich een theorie over ‘psychoseksuele differentiatie’.
Foetussen zijn van bij de bevruchting mannelijk of vrouwelijk, het geslacht ligt immers vast in de chromosomen. Toch heeft de foetus een ‘aanleg’ voor zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen, die trouwens niet zó fundamenteel van elkaar verschillen. Die ‘aanleg’ bevat het beginsel van testikels of eicellen, het zwellichaam voor een clitoris of een penis en het weefsel dat de schaamlippen of de balzak worden (de ‘naad’ aan de balzak is waar de schaamlippen zijn ‘samengegroeid’). Hoe weet de foetus welke organen ontwikkeld moeten worden? Bij meisjes ontwikkelen de vrouwelijke geslachtsorganen zich vanzelf, zonder de hulp van hormonen. Jongens daarentegen hebben twee hormonen nodig, een eerste om mannelijke geslachtsorganen ontwikkelen en een tweede om de foetus te ‘ontvrouwelijken’. Pillard veronderstelt dat het tweede hormoon tevens een effect heeft op de organisatie van de hersenen, die voor mannen en vrouwen verschilt. Een onvolledig proces van ontvrouwelijking zou bij jongens kunnen leiden tot een ‘psychoseksuele androgynie’. Volgens deze theorie zoude homomannen daardoor ook kunnen beschikken over een aantal vrouwelijke kwaliteiten, zoals grotere taal- en emotionele vaardigheden.
Deze laatste veronderstelling valt samen met een onderzoek van psychiater Richard Green Green, auteur van ‘The Sissy Boy Syndrome’ Syndrome’. Hij onderzocht genderaspecten van de manier waarop kinderen spelen. Jongens die spelen op een manier die niet past in hun geslachtsrol – spelen met poppen, de moederrol aannemen bij huisje spelen – blijken in driekwart van de gevallen later homoseksueel. Dit accordeert met onderzoek naar het spelgedrag van apen. Mannetjes- en vrouwtjesaapjes vertonen ander spelgedrag, dat beïnvloed kan worden door het toedienen van geslachtshormonen in een stadium vóór de geboorte. Als Greens theorie klopt, dan hebben we hier een voorbeeld van gedrag dat gelinkt is aan de seksuele oriëntatie maar geen seksueel gedrag is, wat aantoont dat de seksuele oriëntatie vastligt lang vóór de seksuele rijping.
Twee broertjes
Veel holebi’s geloven rotsvast dat ze zó geboren zijn. De spectaculaire berichtgeving van enkele jaren terug als zou er een ‘homogen’ ontdekt zijn, was koren op de molen van deze hardnekkige overtuiging. Dean Hamer screende 40 paren van homoseksuele broers. 33 hadden dezelfde DNAstreng op één chromosoom (Xq28). Bij een verdere screening van de familie van deze broers, leek het of dit genetisch kenmerk via de kant van de moeder werd doorgegeven. Een tegenonderzoek van George Rice Rice, waarin 52 homoseksuele broederparen betrokken werden, kon deze resultaten echter niet herhalen. Toch sluit Rice niet uit dat er een genetische basis is voor homoseksualiteit. Mogelijk spelen verschillende genen, waaronder het gen dat zich op de Xq28- streng bevindt, samen een rol, zoals verschillende pianotoetsen samen een akkoord vormen. Of
spelen méér factoren dan enkel de genen samen?
Dat homoseksualiteit een multifactoriële oorzaak heeft, kon al verondersteld worden uit een ouder onderzoek. In 1991 verrichtte Michael Bailey een
tweelingenonderzoek met homomannen. Hij stelde een onderzoeksgroep samen die bestond uit homo’s met een identieke tweelingbroer, homo’s met een niet-identieke tweelingbroer en homo’s met een adoptiebroer. De eerste categorie vormt een eeneiige tweeling en heeft dus identiek DNA, de tweede is een twee-eiige tweeling met een sterk gelijkend DNA. De derde categorie heeft geen enkele genetische gelijkenis, maar heeft wel een identieke opvoedingssituatie. De identieke tweelingsbroers bleken in 52% van de gevallen beiden homoseksueel. De nietidentieke tweelingen scoorden 22%, de adoptiebroers 11%. Het gemiddelde aantal homoseksuele mannen dat uit bevolkingsstudies naar voor komt is 4 à 6%. De genetische lijn van onderzoek roept ook grotere vragen op. Als we erfelijkheidsleer en evolutieleer combineren, dan is de ontwikkeling van een homogen volslagen zinloos, vermits homoseksuelen in se geen nageslacht opleveren en dus geen bijdrage leveren in de overleving van
de soort
Anderzijds moeten we ook kritisch blijven. Onderzoek gebeurt steeds vanuit vooraf vastgelegde vooronderstellingen. Deze weerspiegelen de actuele Westerse denkbeelden over homoseksualiteit, waarin je veronderstelt wordt dit of dat te zijn, hetero of homo/lesbo. Deze visie op homoseksualiteit (en seksualiteit) is nog vrij jong en verschilt van de ervaringen van homo’s en lesbiennes in vroegere tijden. Net zomin stemt ze overeenstemt met de homoseksuele praxis buiten West-Europa en Noord- Amerika of brengt ze een beter inzicht in biseksualiteit. Maar geef toe, het blijft een verdomd boeiende vraag.
door Mark Sergeant
Gebaseerd op ‘Homosexuality and Biology’ van Chandler Burr (www.theatlantic.com/issues/97jun/burr2.htm).
Zie ook: members.aol.com/_ht_a/slevay.page6.html en het artikel ‘Sodoms eicellen’ van Jan Schippers (‘Roze tijden’, Uitg. Schorer 1998).